We zijn in een dorpje aan de Rijn, in de Palts. De dorpelingen gaan geregeld uit stropen op de keurvorstelijke domeinen. Nu wil de keurvorst zelf komen jagen; hij zendt zijn jachtmeester, baron Weps, vooruit. Deze ontdekt dat de wilde zwijnen zijn uitgeroeid; ook de keuze van een rozenmaagd levert moeilijkheden op. Maar nadat de dorpsburgemeester enige fikse bedragen aan de baron heeft beloofd, neemt deze genoegen met enkele noodoplossingen: een tam varken en een drievoudige weduwe. Plotseling verneemt baron Weps dat de keurvorst verhinderd is. De jachtpartij gaat niet door en Weps zal zijn geld mislopen. Zijn inmiddels gearriveerde neef, de jonge graaf Stanislaus, weet raad: hij zal zich voor de keurvorst uitgeven. Keurvorstin Marie is met barones Adelaïde en nog een aantal hofdames naar het dorp gekomen, verkleed als boerinnen. Zij willen wel eens weten wat de jagers zoal uitspoken. Christel, brievenbestelster in het dorp, besluit om van het keurvorstelijk bezoek gebruik te maken. Zij wil zijne hoogheid een verzoekschrift overhandigen. Ze is namelijk verloofd met een Tiroolse vogelkoopman, Adam, en ze wil graag een goede baan voor hem. Graaf Stanislaus, de namaak-keurvorst, bespreekt de zaak met Christel in een paviljoen; als zij weer naar buiten komt, trekt Adam verkeerde conclusies en wil niets meer van Christel weten. Hij heeft inmiddels een zekere Marie (de keurvorstin, maar dat weet Adam niet) ontmoet, en die bevalt hem ook wel.
De keurvorstin denkt dat haar man (die we overigens in het stuk niet te zien krijgen) haar ontrouw is geweest, in het paviljoen. Maar als Christel bij haar komt om de ware toedracht te vertellen, wordt spoedig duidelijk dat er een bedrieger in het spel is geweest. Intussen moet Adam examen afleggen voor de betrekking van directeur van de keurvorstelijke volière. Na wat er is voorgevallen in het paviljoen heeft hij er helemaal geen zin in en hij doet zijn best om te zakken. Baron Weps heeft de professoren echter omgekocht en Adam krijgt de baan tot zijn verbazing toch. Tijdens een hoffeest wordt de bedrieger, graaf Stanislaus, ontmaskerd, juist als hij op het punt staat met de rijke barones Adelaïde te trouwen. Adam, die met zijn Tiroolse vrienden het feest muzikaal opluistert, vindt dat graaf Stanislaus behoort te trouwen met het meisje waarmee hij in het paviljoen een apartje heeft gehad. De keurvorstin valt Adam bij. De graaf en de postbode zullen trouwen...
Christel houdt nog steeds van Adam en ziet niets in Stanislaus. Zij voelt zich ook niet verplicht om met de graaf te trouwen; in het paviljoen is immers niets bijzonders voorgevallen. Adam vangt een gesprek hierover op, ziet in hoe dom hij is geweest en maakt het weer goed met Christel. Ook de oude barones Adelaïde komt nog aan de man, al is het niet de jonge graaf Stanislaus; die wil na alle emoties liever de eerste tien jaar vrijgezel blijven. Moraal: let op aan wie je rode rozen geeft.
|